Niet op haar achterhoofd gevallen

Ik hoor beng en zie 2 voetjes in de lucht. Elke is achterover van haar kruk gevallen. Ze huilt.

Na een paar minuten snikt ze nog wat na bij Eleanor op schoot.  Als kinderen op hun hoofd vallen vraag je je toch altijd even af of het allemaal wel goed zit. Ik ben altijd heel wat geruster als ze flink huilen (want na huilen komen alleen builen). Elke stelde ons op haar eigen manier gerust.

“Gaat het weer een beetje, lieverd?”

“Ik ben Elke!”

Gooi die visitekaartjes weg

Als ik een visitekaartje krijgt, doe ik 3 dingen.

  1. Ik voer alle gegevens in in Outlook
  2. Ik zoek de persoon een uitnodiging op Linkedin
  3. Ik gooi het visitekaartje weg

Waarom zou ik het visitekaartje houden?

Ik zie veel mensen met een visitekaartjesmapje rondlopen. Dat vind ik hopeloos onnodig. Alle belangrijke contactinformatie zit in Outlook, dus mijn telefooon. Als ik iemand nodig heb, dan heb ik de gegevens altijd al bij de hand. Bovendien kan ik altijd via Linkedin contact opnemen als de contactpersoon verhuist of een andere baan krijgt.

Maar ik ben zo gehecht aan mijn mapje met fancy visitekaartjes!

Dat gevoel ken ik. Er zitten altijd een paar fraaie logo’s tussen en daar wil je zo nu en dan de show mee stelen. (“Kijk, ik ken iemand bij [vul naam van je favoriete bedrijf in]. Maar je begrijpt natuurlijk zelf wel dat je veel meer indruk maakt met een nieuwe smartphone. Als je daarom zo’n mapje in de kast of tas wilt hebben, dan moet je het zelf weten. Je bent hem toch altijd kwijt wanneer je hem nodig hebt. En het kaartje van die account manager die je wél nodig hebt zit er nooit in.

Zit jouw Outlook niet overvol?

Ja, maar daar heb ik wat op gevonden. Eén keer in de zoveel tijd maak ik een schifting. Contactpersonen die ik nooit bel of niet meer belangrijk voor mij zijn, krijgen de categorie “Meuk” mee. Outlook en mijn telefoon filteren automatisch de meuk eruit.

Gewoon niet mee bemoeien

Op televisie schoppen Mickey Mouse en Pluto een bal naar elkaar toe. Elke heeft – misschien wel voor het eerst – de controller van de v.smile te pakken gekregen voordat haar zus ermee aan haal heeft kunnen gaan.

“Ga maar met de joystick naar díé kant.” leg ik uit. Maar Mickey loopt de andere kant op. De bal schiet langs Mickey. “Ooh jammer”, roep ik. “Nog een keer.” Elke lacht.

Ik moet echt mijn best doen om geduldig haar gang te laten gaan. Iedere aanwijzing die ik geef, slaat ze in de wind. En dat frustreert met een beetje. Ik vind het al moeilijk om haar dit te leren. En dan luistert ze ook nog eens niet! Had ik maar niet van de afdeling Electronica moeten zijn. Maar ik ga met liefde door.

“Ja, nog een keer?” Elke en ik bewegen samen de joystick. Ze schatert het uit als we de bal terugschieten. En ze lacht nog veel harder als we missen. Ik laat haar alleen spelen. Iedere keer dat Mickey de bal mist, lacht ze harder en harder.

Misschien moet ik me er gewoon niet mee bemoeien.

Woeffie heeft kindertjes gekregen

“Nee, die leggen we terug.”

Marit en Elke hebben allebei een hondje te pakken. De kleinere uitvoering van de goldenretreiverknuffel die ze een half jaar geleden van ons hadden gekregen bij de Ikea.

“Pappa, Woeffie heeft kindertjes gekregen!” Ze houden ze vol trots vast. Alsof ze zelf oma en oma zijn geworden.

“Kijk pappa, nog meer kindertjes!” In Kinderland ligt er nog een hele mand vol met knuffelpups. Een dozijn vaders (of moeders, wie zal het zeggen?) ligt in een mand ernaast. Marit en Elke knuffelen de hondjes helemaal plat.

“Pappa, ze zijn zóóóó lief” Marit lacht alsof ze meedoet aan een missverkiezing voor peuters. Ik ga voor de bijl. Ik heb niet eens de moeite genomen om de drogreden te onthouden.

Woef.

Ik ben ziek

Ik heb mijn laptop op schoot en geen sokken aan. Mijn voeten zijn dus koud en mijn bovenbenen warm. MTV speelt warrempel muziek. Ik ben ziek en vraag me af waarom er verder niets leuks op tv is. En waarom we geen ongezien DVDtje hebben liggen.

Mijn hoofd drukt zwaar op mijn romp. Mijn neus zit vol. Als ik hoest, gaat een buurhond als een prairiewolf janken.

Ik ben ziek.

Bruistablet en broomhuppeldepup

Ik doe een bruistablet in het water. Als een dubbeltje op z’n kant landt hij op de bodem van het glas.

Al een week hoesten Eleanor en ik onze amandelen uit de keel. Het bruistablet moet het slijm losmaken. Als ik hoest blaf ik als een Sint Bernard met een kater. Mijn stem wordt schor en ik sacherijnig.

Het tablet drijft naar boven, omdat hij – half opgelost – lichter is dan water. Zo kun je het bruisen ook beter horen.

Eleanor heeft me ook een klein pilletje tegen het hoesten aangeraden. Ik vind hem wel erg klein en twijfel of het geen oxacepam is. Achterop de strip staat een merknaam met “broom” erin. “Zal wel goed zijn.”

Ik neem in het pilletje met het opgeloste bruistablet. Ad fundum in 2 keer. Proost. Het smaakt naar sinaasappel.

“Zouden er ook vitaminen in zitten?”

Een knoop erin

Zaterdag moest ik nog even naar de winkel. We kregen visite en we hadden nog iets voor op brood nodig. Dus ik naar de Albert Heijn.

Ik had nog maar net een mandje te pakken of ik kreeg enorme aandrang om te plassen. Zo erg had ik het nog niet vaker gehad. Ik dacht dat ik het wel zou redden. Ik boodschapte iets sneller dan normaal langs de vleeswaren en de salades richting de kassa.

Maar daar kreeg ik een nieuwe aandrang: om ‘er’ en knoop in te leggen. De stuwing uit mijn bekken was ondraaglijk aan het worden. Ik had er rugpijn van. En natuurlijk schoot het niet op bij de kassa. Met als hoogtepunt een man  die met de cassière de disussie aanging over de prijsverhoging van 4 cent van zijn eigen-merkbier. De gedachte aan bier helpt niet bij hoge nood.

Gelukkig bereikte ik met een droge onderbroek de auto. Ik dacht dat ik het nu wel zou redden. Ik kon nu tenminste met  mijn dijen de leiding dichtdrukken.

Helaas. Mijn sprint eindigde 2 kilometer voor ons huis. Ik kon nog net een afslag pakken en parkeerde bij een bushalte. Achter een bouwbord heb ik de plas van mijn leven gedaan.

Het nieuws meldde dat ze tot gisteravond plas aan het wegpompen zijn geweest. Omwonenden keren in de loop van de dag terug naar hun woningen. Het Ministerie van Volksgezondheid verwacht dat de urinelucht nog minstens 3 dagen blijft hangen.

Tijd voor ranja

Elke spookt iets uit op het toilet. Ik weet niet wat, dus ik ga kijken.

Een halve toiletrol ligt uitgerold in de pot. Ik word streng. “Elke? Waarom heb je dat gedaan?” Streng betekent niet dat ik de beste vragen stel. Er is aan mij geen strenge journalist verloren gegaan. Elke’s ogen worden groot en schieten van links naar rechts. Daar vindt ze het antwoord niet. De kijkt ze me recht aan. Het staat ook niet op mijn neus geschreven.

“Elke?” probeer ik nog een keer. Heel naturel acteerhuilt ze tranen met tuiten. Zo streng ben ik namelijk niet. Ze valt me om de nek. Ik wiebel op mijn hurken.

“Elke, vertel pappa waarom je zo veel wc-papier in de wc hebt gedaan.”

Weer stilte.

“Pappa heeft je een vraag gesteld. Ik ben niet boos. Je moet me wel vertellen waarom je dat hebt gedaan. ” Bij ‘niet boos’ klaart ze op. Maar praten? Ho maar!

“Als je niets zegt, wordt pappa wel boos. En dan moet je op de gang. Elke, waarom deed je zo veel wc-papier in de wc?” Wel tranen, geen antwoord. Elke staat op de gang en ik beloof dat ik haar zo weer ophaal. De deur dempt Elke’s tranen.

Als ik haar ophaal vertel ik nog een keer waarom ze op de gang staat. Ze knikt vastbesloten “de volgende keer geef ik wel antwoord op je vraag. Het gebeurt niet weer.” We knuffelen en spoelen samen de wc door. 

Tijd voor ranja, want van huilen droog je uit.