Ik ben in de war. E zegt dat ze vanmiddag wil verven en ik vraag me af: ‘waar?’, ‘welke kleur?’ en vooral ‘wat ben ik vergeten?’

Op deze vragen heb ik zo snel geen antwoord dus blijf ik stil. E maakt een klein knikje naar het A2-schetsblok dat naast me de eettafel bedekt. Het is me weer duidelijk. E bedoelt schilderen.

Dat ik het zo snel niet doorheb, ligt niet aan mij. In het begin van onze relatie ‘verfde’ E regelmatig, maar sinds de komst van de kinderen blijft het er een beetje bij. Haar verfspullen zijn tijden niet van zolder geweest.

Ik vind dat erg jammer, want haar artistieke kant maakt me blij. E staat altijd voor iedereen klaar en dit is het enige dat volledig van, voor en door haarzelf is.

Toen we elkaar leerden kennen was haar creativiteit één van de eerste dingen die ik over haar vertelde. Ik vind het vaak lastig om mijn gevoelens goed onder woorden te brengen. Daarom viel ik in mijn verliefdheid terug op iets tastbaars, iets concreets als E’s liefde voor schilderen.

Of verven, zoals ze het zelf eenvoudig noemt. Op zolder staat naast het bureau E’s volledige collectie, voor zover die niet in ‘bruikleen’ cadeau is gedaan.  Gelukkig kan ze wat betreft kunstzinnige pretentie op mij rekenen.

Maar ik denk dat ik haar bescheidenheid wel snap. Het gaat vooral om de bezigheid. Wat kwasten, een groot wit vel en een beetje verf op een papieren ezel. Intussen zet je je gedachten wat van je af, kijk je een beetje televisie en maak je in een uur of wat iets moois.

Precies zoals Bob Ross het bedoelde. Zonder ‘happy trees’ maar vast met een paar ‘happy accidents’  Dat is alles. Verder niks. En stiekem is het heel wat.