Eleanor en ik liggen in bed. We lezen. Eleanor zucht half geschrokken en vraagt: wil je nog wat voor me doen?

Ik zeg net te snel ja. Macht der gewoonte.

Er zitten nog sleutels in de deur van de garage. Tuinkant, hoor ik op navraag. Ik pak mijn spijkerbroek en ik loop naar beneden. Sinds ik vaker jasje-dasje naar het werk ga, gaan mijn spijkerbroeken steeds later de wasmachine in. Dit exemplaar draag ik al zo n 3 weken ongeveer 2 keer per week. Het is ook een fijne spijkerbroek. Hoeft nog minstens een maand niet gewassen te worden, denk ik stiekem.

Glibberend over het houten terras bedenk ik mij dat mijn opa spijkerbroeken maar niets vond. Zeker niet als je ze naar school of kantoor droeg. In zijn tijd was spijkerstof eerder stevig dan modieus. Spijkerbroeken droeg je alleen op de bouw of op het land. Deed je ‘schoon’ werk of moest je om een andere reden netjes gekleed, dan waren ze not done. Ook al kende hij die uitdrukking toen vast niet. Zelf heb ik daar minder moeite mee, maar nu draag ik hoogstens een spijkerbroek op mijn werk op casual friday.

In de woonkamer loop ik de algen van mijn voetzolen en leg ik de sleutels op tafel.

Onderaan de trap blijf ik even staan. Ik beeld me een oude foto in van een landarbeider. Trots. Kin omhoog. Spijkerbroek tot over zijn middel. Aangsnoerd met een touw die twee keer is omgeslagen. Klaar om weer aan het werk te gaan als de fotograaf nog aan het inpakken is.

Mijn voeten zijn koud. Ik ga maar naar bed. M’n voeten warmen aan Eleanor.