Een paar honderd meter van mijn werk staat een paarsbruine loods. Ik kan er vanachter mijn bureau bovenop kijken. Er ligt al maanden een stuk oranje plastic op het dak. Ik vind het plastic irritant.

Want elke keer als ik in de richting van de loods kijk zie ik het liggen. En het ligt eigenlijk net te ver weg om goed te kunnen zien. Ik verbeeld me dat het plastic beweegt door de wind. Ook op windstille dagen.

Als ik naar de loods zit te dromen kijk ik langs een collega. Ze kijkt mij soms wel eens aan omdat het lijkt dat ik haar aanstaar. Ik staar altijd stug door richting plastic. Bjorn is helemaal zen en bedenkt iets briljants. Dat wil ik uitstralen.

Ik kan 2 dingen doen. Of ik loop naar de loods toe om het plastic weg te halen. Of ik doe de luxaflex naar beneden. Het plastic heeft vast een functie. Het mag vast niet weg. En dichte luxaflex maakt het wel erg donker. Ik kan natuurlijk morgenochtend een andere flexplek zoeken. Maar dan moet ik alle spullen verhuizen. Bovendien vergeet ik het morgenochtend vast.

Ik hoop op mist. Hele dikke mist. Mist zodat het lijkt alsof we in een pak melk zitten.