Ik denk “Novemberschemer”. Het is buiten donkerig, dus is het goed dat de straatverlichting brandt. Ik rijd met de auto door de stad om Eleanor op te halen.

Om bij Eleanors werk te komen heb ik een uitgekiende route.

Hou je vast, dit is een korte tour door de Oosterpoort. Ik rijd van het parkeerterrein van mijn werk en rijd over de Winschoterdiep onder de ringweg door en via de Meeuwerderbaan naar de Meeuwerderweg. Op de Meeuwerderweg neem ik de laatste afslag voor de Griffeweg naar de Palmslag en via de Oosterweg naar de Trompslingel.

Maar daar gaat het niet om.

Ik stond vanavond voor het stoplicht bij de Oosterweg. Achter mij stond een auto. Een vrouw achter het stuur. Een man op de bijrijdersstoel. Ze keek hem half aan. Hij streek met zijn hand over zijn wang. Ik stelde me zo voor dat hij deze lift niet zomaar had gekregen. Haar ogen straalden een beetje. Hij keek in gedachten, met een hand aan zijn wang, voor zich uit. Boodschappen, daar dacht hij aan.

Het licht ging op groen. Ik trok op, de auto achter mij volgde. Ik parkeerde op de laad-en-losplek en de auto reed mij voorbij. Eleanor stapte in.

Kus, knipperlicht, gas.