Ik zit ongemakkelijk aan mijn tafeltje. Aan de bar zit een stamgast in zijn glas bier te staren. De lokale gokverslaafde gooit zijn verzameling euro’s in de fruitautomaat. Ik wacht. Waarom we hier moesten afspreken, is mij een raadsel. Ik ben misschien niet bijster hip, maar ik niemand uitnodigen om met mij in dit café wat te gaan drinken. Misschien als je rare dingen doet om een meisje te imponeren. Maar dan nog, het afbraakrisico is te groot. Ik schat de kans op minstens 83% dat ze gillend wegrent, nog voordat ze heeft kunnen bedenken dat de rode, hoopolige tafelkleedje naar schraal bier óf sigarettenas ruikt.

Een man in pak komt binnen. Hij hangt zijn jas op, alsof hij thuiskomt. “Willem, doe mij maar een gele rakker!” Glimlachend kijkt hij naar de tap. Zijn hoofd lijkt op een taart waar een punt uit is gehaald. Pakman gaat aan een tafel in de hoek zitten.

Mijn horloge maakt voort. Een reactie op mijn sms waar ze blijven blijft uit. “Waar zou je hier een camera kunnen verbergen?” Ik zie geen spijkers of schroeven aan de muur. Er zijn alleen plastic bloemen geplant in de pot met oase die op tafel staat. Er zit nog een bodempje koffie in het horecakopje. Koud. Getver.

De deur gaat open. Met veel bravoure komen ze binnen. Ze gaan voor mijn tafel staan en ik kijk op. “Bjorn, wat is het grootste gevaar voor onze maatschappij op dit moment.” Ze zijn aangeschoten. In antwoord: “Chinese kinderen bij een voorstelling van Ome Willem.” Een luid ‘joepie de poepie’ overstemt mijn ‘gele rakkers’.