Bovenaan de trap horen we een voorzichtig stemmetje. Het is Marit. Ze kan niet slapen. Er zijn buiten auto’s en die zijn eng. Die hadden we nog niet eerder gehoord, dus loop ik naar boven.

Ik loop door totdat ik op ooghoogte sta. Marit heeft een engelachtig gezichtje opgezet. Het is ongelooflijk. Ik word op slag verliefd. Geen spoor van niet slapen kunnen. Geen greintje angst. Marit is me een beetje voor de gek aan het houden. Maar ik vind het niet erg. Zolang ik maar in dat mooie gezichtje van haar kan kijken.

Natuurlijk, trekt ze dit gezicht omdat ze iets van mij wil. Dat begrijp ik ook wel. Maar het is zo mooi. Gezichten spreken soms boekdelen. De hare sprak de Odyssee van Homerus. Dat hoofdstuk met de Sirenen. Wauw.

Ze heeft een open blik. En glimlacht zachtjes. Hoe kun je daar nou niet van houden? Om half 9 ’s avonds als ze eigenlijk moet slapen.

Ik verman me. Op de overloop dirigeer ik Marit naar haar bedje. Ik dek haar toe en geef haar een kus. Want lieve engeltjes verdienen altijd een kus. Juist als ze hun vader een beetje voor de gek houden.