(geschreven op vakantie in Zweden)

We komen terug ui een naburig stadje. Je kunt daar wel pinnen en we heben boodschappen gedaan. Als we langs de slagbomen zijn zie ik dat ons plekje is bezet door een zwarte Volvo.

Daar baal ik van. Gelijk besef ik dat het nergens op slaat om daar van te balen. Maar op één of andere manier vind ik het prettiger om de auto zo dicht mogelijk bij het huisje te hebben. Ik geloof niet dat het luiheid is. Of dat ik bang ben dat hij gesloten wordt als hij 2 meter en 43 centimeter verder staat. Maar goed. Ik parkeer en baal nog wat na omdat de Volvo ook nog wat langer is dan onze Ford.

Jaren geleden werkte ik voor een groothandel. Daar werkte ik aan de Wehkamp-dikke catalogus. Daar had de directeur de beste parkeerplek. Letterlijk 5 stappen van de voordeur. Zijn autoterritorium had hij afgebakend met zijn initialen in klinkers. Zonder puntjes lees je een stuk bestek.

Dat moest hij ook wel doen. Hij had toen namelijk een enorm grote auto. Ik weet niet meer wat het merk op type was, maar je moet je de grootte van een Hummer voorstellen. Maar dan in de vorm van een pickup. In de laadbak kon naar verluid een Smart.

Wat dat betreft ben ik een groentje wat betreft autoterritoriaal gedrag.  De volgende dag vertrok de zwarte Volvo. Tijdens de ochtendkoffie heb ik de auto verplaatst.