Ik loop naar de Albert Heijn voor een paar snelle boodschappen. Andere snelle boodschappers lopen in en uit de supermarkt. Een jonge vrouw (meisje) valt op. Ze staat stil. Ik moet goed kijken, maar dan zie ik een notitieblok in dezelfde kleur als haar jas.

Ik ben de sjaak. Ze loopt op me af. Met een glimlach die ik zelden van zulke meisjes heb gehad.

“Hallo, hoe gaat het met u?”

Potverdrie. Als ze dat op zaterdagavond in een willekeurige kroeg doet, kan ze met iedere willekeurige man naar huis. Ik ben geen willekeurige man. Ik houd stand. Ook tegen de beste openingszin die een straatenquêtrice of verkoopster kan hebben.

“Heel goed. Maar, sorry, ik heb geen tijd.”

“Oòòòh.” Ze houdt haar hoofd schuin en fronst gespeeld haar wenkbrauwen. Ze speelt het en doet geen moeite om dat te verbergen. Ze flirt met me. Ze flirt om mijn NAWTE-gegevens uit de zak te kloppen. “Het duurt maar één minuutje.” Achteraf vind ik dat laatste erg ranzig klinken. Ik zeg dat ik haast heb en loop door.

Ik gooi wat producten in mijn mandje. En loop naar de kassa. De kassière heeft er zin in. Ze werkt de rij snel weg. Ik rats de pinpas door het apparaat. Ik heb geen Bonuskaart. Wil geen koopzegels. Wel een bonnetje.

“Ik wens u een fijn weekend.” Ik kijk naar haar. Ze kijkt ook naar mij. Ze meent het oprecht. “Jij ook een fijn weekend.”

10 jaar geleden was ik een week lang verliefd geweest.