Marit was een beetje vervelend geweest. Niet luisteren, steeds maar vragen om dingen die ze niet mocht. Je kunt het zo nu en dan verwachten van een meisje van 9. Eleanor had het het druk mee gehad. En nu – zo vertrouwde ze me toe – was Marit boos op haar.

Het klopte. Onze oudste dochter liep wat bedremmeld en in gedachten door het huis. Haar ziel stevig onder haar arm geklemd. Je zou het maar eens kwijt raken. Ik tekende in gedachten haar gemoed uit. Een beetje boos, maar eerder nog verdrietig.

In haar voorbijgaan leg ik mijn hand op haar arm. “Wat is er, Marit”. Een zucht vanwege het gewicht van de wereld op haar schouders. Ze slaat haar ogen naar mij op en kijkt direct weer weg. “Kom” en ik trek haar op schoot.

Ik vertel dat ik haar geheim weet. Blij dat ze het niet meer hoeft te vertellen, legt ze haar hoofd op mijn schouder. Ik vertel dat ze vervelend deed, dat mamma daarom boos was en dat dat niet betekent dat ze niet van haar houdt.

Weer een zucht. Ik vertel blijkbaar iets wat ze al weet.

“Het is alleen zo dat ik mamma aan het opwachten was in de waskamer. Zodat ik haar een knuffel kon geven en kon zeggen dat ze de liefste moeder ever is. Maar ze kwam niet.”

Die lieverd heeft een groots plan uit zitten denken om het goed te maken met Eleanor. Een plan dat eindigt in lang wachten in een washok op een moeder die niet langskomt. Ik zie het voor me en ik moet lachen.

“Ga anders gewoon naar haar toe en vertel het haar gewoon.”

Ze denkt even na (“Zou het echtΒ  zo makkelijk zijn?”) en ze gaat van mijn schoot af. De wereld rolt van haar schouders. Haar ziel nestelt zich weer in haar hart.

Ze buigt voorover voor een knuffel. “Je weet me altijd weer gelukkig te maken, pappa.”