Marit kijkt wat naar een bakje met geld. Haar geld. Gekregen voor haar verjaardag. Ze speelt ermee, maar dat is niet waar het voor bedoeld is.


Ik kan er niet goed tegen als geld rondslingert. Het moet goed opgeborgen worden in een spaarpot of portemonnee. Als je het verliest, of niet kunt vinden, heb je er niets aan. Op het moment dat ik er wat van wil zeggen, merk ik dat ik het verkeerd wil aanpakken. Te boos. Te veel vingertje.

Nee, we doen het anders. “Weet je al wat je voor die centjes wil kopen.” Aan Marits ogen zie ik dat ze daar nog niet over heeft nagedacht. Sterker nog: ze ontdekt nu pas dat het mogelijk is. Net als ik denk dat ze me gaat vertellen welk boek of Barbie ze wil hebben zegt ze: “Ja, maar dan ga ik het wel met Elke delen. Want dan heeft zijn ook wat.”

M’n ogen worden een beetje nat. Ik weet even niet wat ik moet zeggen. Ik twijfel: moet ik haar belonen omdat ze zo lief aan haar zusje denkt? Of moet ik duidelijk maken dat dat haar geld is? Ik doe beide. “Ik vind het écht heel lief van je dat je met Elke wilt delen. Maar het zijn jouw centjes. Jij hebt ze gekregen voor je verjaardag. Daar mag jíj iets voor kopen. Elke krijgt voor haar verjaardag misschien ook wel centjes.”

Ik overtuig Marit definitief als ik zeg dat Elke alvast iets voor haar verjaardag mag uitzoeken.

Zaterdagochtend waren in de speelgoedwinkel. Marit kwam thuis met een hippe pop (geen Barbie, ander merk). We hadden Marit even voorgeschoten omdat we haar verjaardagsgeld vergeten waren. Ze loste trots haar schuld in. Haar openingsbod was een stapeltje eurostuivers. Uiteindelijk kostte het ons 5 euro leergeld.

Elke keek 5 minuten weifelend naar haar ingepakte cadeau. Die hebben we gauw uit het zicht gelegd 🙂