Het was een lange dag geweest en Marit wilde de iPad niet wegleggen om naar bed te gaan. Ik zuchtte en trok het apparaat uit haar handen.

In de badkamer schoot het ook al niet op. Ik zuchtte weer. “Meiden, ik ben moe. En als jullie zo aan het treuzelen zijn dan word ik een beetje een brombeer”. Op eenzelfde avond een tijdje terug hadden ze me deze bijnaam gegeven. Ik dacht dat als ik het zo uitlegde, ze het wel begrepen.

Het hielp. Een beetje. Marit pakte de tandenborstel. Elke ging plassen. Maar op begrip hoefde ik niet te rekenen.

“Weet je op wie je lijkt als een brombeer bent?” riep Marit me lachend toe. Ik heb geleerd dat ik deze vraag niet moet opvatten als een uitnodiging om mee te gaan brainstormen. Raden zul je het toch nooit. De kans is groter dat jouw antwoord hilarischer is dan wat ze zelf hadden bedacht..

Marit proestte het uit: “Maarten! Maarten van Rossem.” Elke kukelde bij kans van het toilet. En Eleanor lachte op die manier waarvan ik graag wil dat ze om mijn grapjes lacht.

Ik kon kon niets anders dan meelachen. Het was te komisch. En stiekem was ik trots. Wie heeft er een dochter die je vergelijkt met Maarten van Rossem?

Mooi. Maar vanavond op tijd naar bed.